vrijdag 2 januari 2015

Vijf jaar geleden - 2 januari 2010

2 januari 2010

Eindelijk. Ergens rond 4:30 valt Kalle in slaap. Sinds de laatste voeding was hij zo verdrietig. Het huilen hield maar niet op. En wat ik ook probeerde, niets hielp. Ik leg hem voorzichtig neer en doe zelf ook mijn ogen dicht.

Als ik opschrik is het bijna 8 uur. 'Kalle moet drinken', denk ik meteen. En: 'Wat gek dat hij er nog niet om heeft gevraagd.' Omdat hij zo veel heeft gehuild vind ik het wel verklaarbaar. Hij is gewoon nog moe. Toch proberen we hem voorzichtig wakker te maken. Hij heeft gisteravond om 23:30 uur voor het laatst gedronken. En normaalgesproken zitten er maar drie uurtjes tussen twee voedingen.

'Hij voelt warm!', zegt Jan als hij Kalle optilt. We pakken een thermometer. 39,4. Dat is wel erg hoog. Kalle vraagt ook niet om voeding. Hij reageert mat. 'We moeten de verloskundige bellen!', roept Jan. Als zij hoort hoe hoog de koorts is windt zij er geen doekjes om: We moeten nú naar de spoedeisende hulp. Meteen. 'Ga niet eerst nog iets anders doen, maar stap nú in de auto!', zegt ze met ferme stem.

Het is een koude januari-ochtend. De schemering maakt net plaats voor daglicht. Er ligt nog best wat sneeuw, de straten zijn op sommige stukken glad. Als we wegrijden stapt net de kraamverzorgster uit haar auto. Jan doet het raam naar beneden en roept - terwijl hij verderrijdt: 'We gaan naar het ziekenhuis. Kalle heeft hoge koorts!' Volledig verbijsterd blijft zij naast haar auto staan.

We rijden door rood. Mijn hart bonkt in mijn keel. Maar het zal vast wel goedkomen. In het ziekenhuis gaan ze je beter maken, lief Kalletje. We rijden naar de parkeerplaats voor de Spoedeisende hulp (SEH). Als ik de maxi cosi uit de auto haal heb ik niet door dat de draagbeugel niet vastgeklikt is. Het zitje met Kalle erin klapt een stuk naar voren. Ik ben er net op tijd bij om te voorkomen dat hij helemaal omklapt. En gelukkig zitten de riemen goed strak.

Op dat moment kijkt Kalle me aan. Het lijkt niet op de gewone, nog wat wazige blik van een pasgeboren baby, maar op een duidelijke, krachtige blik van iemand die iets wil vertellen. Ik sta best open voor onverklaarbare dingen die niet wetenschappelijk bewezen kunnen worden. Maar ik ben ook weer geen heftig zweverig type dat zo maar gelooft in telepathie. Toch denk ik op dit moment een hele duidelijke boodschap van mijn lief, klein zoontje te krijgen: 'Help me, mama!'

Op de SEH zijn we meteen aan de beurt. Een jonge arts met donkere krullen gaat met Kalle aan de slag. Het tempo van het medisch personeel en de serieuze gezichten duiden erop dat er meer aan de hand is dan zo maar een verkoudheid. Ik denk aan mijn eigen ziekte in de week voor de bevalling. Aan de heftige, pijnlijke darmkrampen, de diarree. Aan hoe slap ik me heb gevoeld. Ik meld het meteen aan de arts en vertel er ook bij dat in ditzelfde ziekenhuis een kweek is afgenomen waarvan de uitslag inmiddels toch wel bekend zou moeten zijn. De arts vindt het interessante informatie.

Kalle krijgt een lumbaalpunctie. Ons wordt aangeraden de kamer te verlaten. Zij moeten Kalle 'dubbelvouwen' en een naald tussen twee wervels in zijn onderrug steken om hersenvocht af te tappen. Het hersenvocht wordt vervolgens onderzocht. Voor het eerst horen wij wat de artsen vermoeden: meningitis, hersenvliesontsteking.

Wij gaan in de wachtkamer zitten tussen felgekleurde kindermeubels, speelgoed en boekjes. Het is stil en er zitten geen andere mensen. We weten niets over hersenvliesontsteking. Behalve dat het een best pittige ziekte is waarvan je wel even een tijd moet herstellen. Maar naarmate de dag vordert worden we steeds banger. De eerste lumbaalpunctie mislukt. Er zit wat bloed in, en dan kan het vocht niet meer goed worden onderzocht. Dus moet Kalle een tweede keer worden geprikt.

Na de eerste onderzoeken op de SEH komt Kalle op de afdeling medium care te liggen. We proppen ons in een klein kamertje aan het einde van de gang. Tussen onze kamer en de kamer ernaast zit slechts een soort schot. We horen elk woord dat de ouders aan de andere kant van het schot zeggen. Ik vraag me af hoe in deze ruimte een bed past voor een van ons. Want het is duidelijk dat ik hier niet wegga.

Kalle heeft meteen op de SEH antibiotika gekregen. Die moeten nu gewoon hun werk doen. Over de uitslag van mijn kweek hebben we niets meer gehoord. Als de volgende arts verschijnt vertellen we er weer over. Ook zij vindt het nuttige informatie.

We vragen ons af waar we in zijn beland. Wat gebéurt hier?! Wat is er met ons baby'tje aan de hand? En wat doen wij hier op dit achteraf-kamertje? Ik ben bang. Bang dat Kalle ineens doodgaat. We proberen elkaar gerust te stellen. We zitten in een ziekenhuis met artsen die weten wat ze doen. 'Alles komt goed'. Of zo. We zien onszelf zitten. Ontredderd. Dit voelt niet goed.
Dan komt Kalle toch op een andere kamer te liggen, eentje direct naast de zusterpost. Hebben ze ook door dat ze Kalle beter in de gaten moeten houden? De verpleegkundigen kunnen nu direct de kamer in kijken. En er is genoeg ruimte voor een extra bed.

Toch bel ik C. Zij werkt als kinderarts in opleiding in het Sophia Kinderziekenhuis. Ik ken haar via een goede vriendin. We hadden een leuke klik, misschien ook omdat zij net als ik Duitse is. Ik vertel haar wat er aan de hand is en ze schrikt, ook al probeert ze dat goed te verbergen. Omdat zij vandaag niet hoeft te werken biedt ze aan om langs te komen. Dat vinden wij een geruststellende gedachte.

Kalle ligt al die tijd in zijn ziekenhuisbed, aangesloten aan een bloeddrukmeter, met plakkers op zijn borst en een sensor om zijn teentje die het zuurstof in het bloed moet meten. Als C. en haar man binnenkomen word ik er niet geruster op. Ik zie aan haar dat zij onder de indruk is, en helaas niet op een positieve manier. Ik uit mijn zorgen. 'Hij zal er heus niet dood aan gaan', probeert haar man ons gerust te stellen. Ik zie aan C's non-verbale communicatie dat zij deze zin niet had uitgesproken.
C. praat met grote gebaren met de zusters in de zusterpost. Ik moet haar écht bellen als er nog iets is, drukt ze me kort daarna bij het afscheid nemen op het hart. De volgende kinderarts komt binnen. Ook aan haar vertellen we over mijn kweek...

Wat we nog niet weten is dat C. op dat moment met haar bazin van het Sophia Kinderziekenhuis belt en over Kalle vertelt. Zij vertrouwt het allemaal niet en vindt hem te ziek om op een medium care te liggen. Haar bazin belt naar de dienstdoende kinderarts van het ziekenhuis waar Kalle nu is en vraagt met klem om hem per ambulance naar het Sophia te brengen - een universitair ziekenhuis met een IC voor pasgeboren kindjes.

Jan gaat naar huis. Ik probeer een beetje te slapen, wat na zo'n dag niet lukt. Dan piept een apparaat. Een zuster komt met snelle pas binnengelopen en tilt Kalle op. Hij ademt niet en ziet er stijf uit. De zuster blaast in zijn gezicht. Hij begint weer te ademen. Ik zit vol ongeloof te kijken. Wat gebeurt er toch allemaal? Wat is dit voor slechte film?! 'Als hij stopt met ademen moet je gewoon zo blazen', zegt ze op een onnatuurlijk lakonieke toon. Ik vind het nogal wat. 'Stopt met ademen'??

Het begint tot me door te dringen. Het is goed mis. 





Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen